Club- en bondslidmaatschap
Bij de oprichting van de bond is destijds 'gekozen' voor een individueel lidmaatschap. Mettertijd bleek dat hieraan een aantal nadelen kleven, zodat in een later stadium aan de leden werd gevraagd alsnog met een clublidmaatschap in te stemmen. In die constructie - zoals feitelijk te doen gebruikelijk bij de meeste 'sportbonden' - is ieder bij een club aangesloten lid, automatisch lid van de bond.
Tijdens de ALV van 2007 werd een eerste voorstel tot 'koppeling' door de leden als onvoldoende bestempeld. Wel werd duidelijk dat er geen overwegende bezwaren waren om dit niet te (kunnen) verwezenlijken, dus kreeg het bestuur opdracht om een nieuw voorstel te formuleren.
Bij de uitwerking van dat voorstel heeft het bestuur de clubs in 'persoonlijke' gesprekken nauw betrokken, zodat de uiteindelijke presentatie tijdens een vergadering met de clubvertegenwoordigers niet voor verassingen zorgde.
De argumenten voor de voorgestelde koppeling zijn legio, maar de belangrijkste zijn:
-
bij een clublidmaatschap kunnen meer spelers worden bereikt. Nieuwe leden van een club zijn direct in beeld;
-
de clubs hebben een veel directer contact met hun leden, waardoor de communicatie naar leden ook beter kan worden ingevuld;
-
het werven van individuele leden vanuit de bond levert niet het gewenste resultaat, clubs staan ‘dichter bij’ potentiële leden;
-
bij meer leden en nagenoeg gelijkblijvende kosten, worden de kosten van het lidmaatschap lager.
